|
Diagnose artritis psoriatica
De diagnose kan gesteld worden als er psoriasisplekken zijn in combinatie met gewrichtspijnen, rugpijn of stekende pijn achter het borstbeen.
Bij mensen met artritis psoriatica komt vooral vaak nagelpsoriasis voor (in 60 tot 90% van de mensen) en ook vaker psoriasis op de hoofdhuid.
De psoriasisplekken zijn vaak zo kenmerkend dat de diagnose zo gesteld kan worden. Soms is er een biopt nodig dat onder plaatselijke verdoving wordt weggenomen door een dermatoloog. Dit wordt dan onder de microscoop bekeken.
Bij artritis kan geconstateerd worden dat er sprake is van zwellingen, roodheid, warmte en stijfheid van de gewrichten. Ook kunnen aan de hand van röntgenfoto's beschadigingen of afwijkingen worden vastgesteld.
Bloedonderzoek
Door bloedonderzoek te doen kan men bekijken of de bloedbezinking te hoog is. Dit wordt ook wel de BSE waarde genoemd (bezinkingssnelheid van de erythrocyten). Een te hoge BSE waarde duidt op ontstekingen. Vaak ziet men bij artritis psoriatica dat deze waarde echter normaal is of slechts gering verhoogd, terwijl de ziekte zeer actief kan zijn.
Ook kan men bekijken of de CRP waarde (c-reactieve proteïne) verhoogd is. Door ontstekingen wordt er meer proteïne gevormd, waardoor de CRP waarde in het bloed stijgt.
De reumafactor, die vooral bij mensen met reumatoïde artritis aanwezig is, komt zeer zelden voor (in slechts 4 tot 6% van de gevallen). Ook komt het in een gering aantal gevallen voor dat er in het bloed ANF (anti nucleaire factor) wordt gevonden. Dit zijn antistoffen die vooral bij de reumatische aandoening systemische lupus erythematodes voorkomen.
Voor de diagnose artritis psoriatica te kunnen stellen kan de CASPAR methode (the classification of psoriatic arthritis study) worden toegepast.
De criteria zijn:
Ontstekingen in gewrichten, wervelkolom of enthesitiden, met drie of meer van de volgende punten:
1 aanwezigheid van psoriasis, nu, in het verleden of in de directe familie;
2 nagelafwijkingen;
3 negatieve reumafactor;
4 aanwezigheid van dactylitis, nu of in het verleden;
5 röntgenafwijkingen.
Het is soms moeilijk om artritis psoriatica te onderscheiden van andere vormen van reuma. Er zijn echter toch een aantal duidelijke verschillen.
| Reumatoïde artritis | Artritis psoriatica |
| begint vaak polyarticulair | begint vaak mono- of oligoarticulair |
| vaak symmetrisch | vaak asymmetrisch |
| reumafactor | geen reumafactor |
| verhoogde BSE waarde | vaak geen verhoogd BSE waarde |
| reumaknobbels | geen reumaknobbels |
| geen enthesitiden | vaker enthesitiden |
| geen sacroiliitis | vaker sacroiliitis |
| geen worstvingers of worsttenen | wel worstvingers of worsttenen |
| vaker osteoporose | nauwelijks osteoporose |
| meer ochtendstijfheid | beperkt ochtendstijfheid |
| meer drukpijn | minder drukpijn |
| minder remissies | langere remissies |
| geen nagelpsoriasis | wel nagelpsoriasis |
Vaak is het ook moeilijk om artritis psoriatica van de ziekte van Bechterew te onderscheiden, met name als de artritis psoriatica gepaard gaat met spondylartritis. Beiden gaan vaker gepaard met oogontstekingen en er treden vaker enthesitiden op.
| Bechterew | Artritis psoriatica |
| vaak symmetrisch | vaak asymmetrisch |
| geen worstvingers of worsttenen | wel worstvingers of worsttenen |
| vaker osteoporose | nauwelijks osteoporose |
| meer ochtendstijfheid | beperkt ochtendstijfheid |
| geen nagelpsoriasis | wel nagelpsoriasis |
|